Sociale interventies in aandachtswijken: wat werkt?
Rob Jansen
De stad Arnhem heeft 4 wijken die onder de definitie van het Krachtwijken beleid vallen, te weten Klarendal, Het Broek, Presikhaaf en Malburgen. Daarnaast hebben gemeente en woningcorporaties de wijk Geitenkamp als 5e aandachtswijk toegevoegd. Met dit aantal aandachtswijken heeft Arnhem het twijfelachtig genoegen koploper te zijn van de middelgrote steden.
Al jaren is er sprake van intensieve bemoeienis met deze wijken in de vorm van aanvankelijk vooral fysieke ingrepen, die sinds een aantal jaren gecombineerd worden met activiteiten op het gebied van werk, scholing, veiligheid, leefbaarheid, integratie, participatie, zorg en welzijn. Dit alles met het oog op het bieden van kansen aan en het verbeteren van de leefomstandigheden van de bewoners van deze wijken. In toenemende mate hebben de Arnhemse corporaties medeverantwoordelijkheid genomen voor het financieren van acties in het sociaal maatschappelijk domein vanuit de gegroeide overtuiging dat een fysieke aanpak alleen succesvol kan zijn als deze gepaard gaat met sociale interventies. De krachtwijken aanpak van de ministers Vogelaar en Van der Laan heeft deze benadering nog versterkt. Tegelijk kwam daarmee de vraag op of de effectiviteit van sociale interventies zou kunnen worden vastgesteld. Het gevoel dat er met hagel werd geschoten op de problemen in de hoop wat te raken groeide met het toenemen van het aantal interventies. Ook voor de corporaties geldt dat elke euro maar een keer kan worden uitgegeven.
In 2006 ontstond het initiatief om een breed meerjarig onderzoek te doen in de aandachtswijken in een samenwerking van de Arnhemse corporaties met het ISW naar de werking van sociale interventies. Het onderzoek is in 2006 gestart en zal in oktober van dit jaar worden afgerond. Het is opgebouwd uit diverse deelonderzoeken en is sterk op de praktijk gericht. De bedoeling is dat al deze onderzoeken inzichten geven op basis waarvan de professionals in de wijken de meest kansrijke interventies kunnen selecteren en inzetten, gegeven de geconstateerde problemen en rekening houdend met de specifieke kenmerken en knelpunten van de wijk. Zo is een modellenboek van interventies uitgewerkt dat aanwijzingen geeft voor een kansrijke aanpak.
Goed en verantwoord wetenschappelijk onderzoek is één ding. Maar dan zijn we er nog lang niet. Ook al kunnen we de mechanismen ontdekken en rationele aanwijzingen verkrijgen voor een succesvolle keuze en uitwerking van interventies die gericht zijn op het stimuleren van gedragsveranderingen en het herwinnen van vertrouwen bij mensen die wonen en leven in de aandachtswijken, dan nog zullen de verantwoordelijke bestuurders en de professionals in de wijken wel geëquipeerd moeten zijn om situaties in de praktijk juist te taxeren om de goede aanpak te kunnen kiezen. Dat kan alleen als er bij het onderzoek ook veel aandacht is voor de praktische toepasbaarheid en goede toegankelijkheid van de onderzoeksresultaten.
Het is echt niet allemaal effectief en efficiënt wat er gebeurt in de krachtwijken. Er is de laatste jaren een wildgroei ontstaan aan interventies op basis van veel knip- en plakwerk. Is een aanpak in een van de wijken succesvol, dan wordt het initiatief op andere plekken gekopieerd zonder dat men zich al te veel vragen stelt of de lokale situatie wel geëigend is om de gekopieerde aanpak toe te passen. Ook is er vaak sprake van politiek-ideologisch en sectoraal gekleurde interventies. Dit alles is op zichzelf wel begrijpelijk, want het “vijf voor twaalf- gevoel” bij de noodzaak om de vraagstukken in de wijken aan te pakken is groot. Gemeentebesturen en bestuurders van maatschappelijke organisaties voelen zich aangesproken en hebben profileringdrang. Daarnaast speelt het integratievraagstuk een niet te negeren rol in het gevoel van urgentie om aan de slag te gaan. De korte termijn wil nogal eens overheersen. Politici en beleidsmakers willen resultaten zien van alle inspanningen en wel nu en niet op langere termijn. Datzelfde geldt voor de bewoners die dagelijks de problemen ervaren en ook hun kiezers zijn. Maar veel van de aangetroffen problemen zijn niet overnight oplosbaar. Daar is een lange adem en consistent beleid voor nodig.
De crisis zou overigens wel eens een ‘blessing in disguise” kunnen zijn, omdat deze als vanzelf dwingt tot het maken van keuzes en het stoppen met interventies waarvan het doel vaag is en resultaten niet of nauwelijks meetbaar. Een niet te veronachtzamen aspect is ook dat een goede en resultaatgerichte aanpak een andere cultuur van werken vereist bij de bestuurders en professionals van de verschillende organisaties. Veel gemeentelijke en maatschappelijke organisaties zijn nog overwegend hiërarchisch en bureaucratisch georganiseerd met een fikse planning- en controlcyclus. De eigen verantwoordelijkheid van de professionals op de werkvloer is onderhevig aan de vele spelregels van de verantwoording binnen de eigen organisatie. Het gaat natuurlijk vaak om publiek geld en de tucht van de markt ontbreekt meestal als mechanisme om de doelmatigheid van de uitvoeringsorganisatie te corrigeren. Die benadering nodigt niet uit tot een werkcultuur waarbij vooraf resultaten worden benoemd en medewerkers een eigen verantwoordelijkheid krijgen om die resultaten te realiseren. Juist in de krachtwijken aanpak is samenwerking tussen professionals van gemeenten en verschillende maatschappelijke organisaties vereist, omdat problemen van mensen zich niet sectoraal laten vangen en zich in meerdere domeinen voordoen. Een overlastgevende groep pubers zal bijvoorbeeld echt niet tot stoppen kunnen worden bewogen door optreden van een wijkagent alleen. Dan is ook aandacht nodig voor scholing, stage en werk en zullen justitie, jeugdzorg, het lokale welzijnswerk, de corporatie, de buurtbewoners en het thuisfront betrokken moeten worden bij het structureel oplossen van dit probleem, met even zoveel medewerkers van de verschillende betrokken organisaties. Zij hebben allen een mandaat nodig van hun baas om samen de problemen aan te pakken en geen van de betrokken jongeren door de mazen te laten glippen. Dat is te bereiken door leiders die zich richten op de te behalen resultaten en daar op sturen. Noodzakelijk daarbij is het aanwijzen van een probleemeigenaar namens alle betrokken organisaties en het hebben van een eigen verantwoordelijkheid en mogelijkerwijs ook een eigen budget van de medewerkers in de samenwerking. Daarop mogen de medewerkers bevraagd worden en kunnen ze verantwoording afleggen.
Kortom: Wat is nodig om tot succesvolle sociale interventies te komen?
• Een wetenschappelijk goed onderbouwde reeks van modelinterventies met mogelijkheden om tot verantwoorde keuzes te komen voor een aanpak in de lokale context; • Zorg dragen voor onderzoeksresultaten die door de professionals in de wijken wordt begrepen en in de praktijk van alle dag toepasbaar zijn; • Selectief zijn in het toepassen van interventies. Hou het overzichtelijk en maak keuzes, niet met elke “hype” meegaan; • Organiseer de samenwerking die voor een succesvolle uitvoering nodig is door te denken in een ketenaanpak; Stap uit het sectorale denken; • Met name voor de bestuurders: Stuur op resultaat, stel een probleemverantwoordelijke aan, geef medewerkers mandaat en budget en laat ze verantwoording afleggen. Fouten maken mag!
Rob Jansen Oud bestuursvoorzitter Vivare
|