English
ISW beeld
Column
Auteur: Frans Meijers De column is van: Frans Meijers
Mentoring is al enige tijd ‘hot’. In 2006 lanceerde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in samenwerking met het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken en De Volkskrant ‘De sociale agenda’. Het doel van dit project was te...

Mentoring: gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Columnist
Auteur: Frans Meijers Frans Meijers
Mentoring is al enige tijd ‘hot’. In 2006 lanceerde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in samenwerking met het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken en De Volkskrant ‘De sociale agenda’. Het doel van dit project was te beslissen welk urgent maatschappelijk probleem het beste oplosbaar was. De kosten in vergelijking tot de baten bepaalden de uiteindelijke ranglijst van goede plannen. Op de eerste plaats eindigde het plan om zoveel mogelijk kansarme Nederlanders een mentor te geven die hen de weg wijst naar een opleiding of een baan.

In de klassieke betekenis is een mentor een ervaren volwassene die een minder ervaren persoon (meestal een jongere) begeleidt waarbij in principe over alle mogelijke onderwerpen gesproken wordt. Sinds de publicatie van de resultaten (De Volkskrant, 1 juli 2006) wordt er in steeds beperkter kring een discussie gevoerd over de haalbaarheid van dit plan. Maar nergens wordt getwijfeld aan het nut ervan. Toch is daar alle aanleiding toe, gelet op de ervaringen die tot nu toe met mentoring zijn opgedaan. In de afgelopen jaren zijn heel veel mentorprojecten gestart, zowel in het onderwijs (en dan met name in het beroepsonderwijs) als daarbuiten. Vrijwel al deze projecten melden successen, maar vrijwel geen enkel project kan daarvoor ook ‘harde’ bewijzen aandragen. Men kan zich afvragen of deze bewijzen wel bestaan, ook gezien het feit dat de meeste projecten na enkele jaren ophouden te bestaan – vaak wanneer de externe financiering stopt.

Onderzoek laat de voorwaarden zien waaraan succesvolle mentorprogramma’s voldoen. Deelname van kansarmen moet vrijwillig zijn; zonder motivatie tot deelname zal er geen enkel succes geboekt worden. Mentoring als (onderdeel van) een verplichte integratiecursus zal dus niet werken. In de discussies naar aanleiding van de Sociale Agenda wordt nochtans vaak gesproken over verplichte deelname van kansarmen – en dan vooral van Marokkaanse jongeren en vrouwen die een burka dragen. Niet alleen de mentees moeten gemotiveerd zijn; dat geldt ook voor de mentoren. Niet iedereen is geschikt als mentor. Een goede mentor heeft bij voorkeur reeds ervaring in een helpende rol, is toegewijd aan de mentee en aan zijn/haar ontwikkeling en is bereid en in staat gedurende een lange(re) periode zeer regelmatige contacten met de mentee te onderhouden. Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld zeer veel jonge managers, die van hun bedrijf in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen worden aangemoedigd om mentor te worden, hiervoor ongeschikt blijken. Dit vooral omdat zij de mentee vaak zien als een ‘project’ dat zo snel mogelijk tot een goed einde moet worden gebracht. Zij hebben – zo blijkt – heel weinig geduld wanneer de mentee zich anders ontwikkelt dan verwacht. Zij hebben ook weinig oog voor de complexiteit van de leefsituatie van kansarme Nederlanders. En ze hebben – last but not least - vaak weinig respect voor minderheidsculturen. Mentoren moeten gefocused zijn op de (ontwikkeling van de) relatie met de mentee en niet op de resultaten die ze samen met de mentee behalen. Het gaat er om de mentee in staat te stellen zelf zijn weg te vinden en dat is iets anders dan ‘disciplinering’. In een succesvolle mentorrelatie staan de kwaliteiten van de mentee dus centraal. Dat betekent dat de mentor in staat moet zijn de eigen verwachtingen en reacties te expliciteren en vervolgens te controleren.

Een goede mentor is dus een wijs mens die geleerd heeft zichzelf te relativeren en bovenal in staat is werkelijk betrokken te zijn met de mentee. En als de mentee een jongere is, moet de mentor ook nog in staat zijn de opvoedingsstijl van de ouders te respecteren, ook al is deze zichtbaar contraproductief voor het maatschappelijke succes van hun kinderen. Dergelijke kwaliteiten zijn in onze samenleving zeldzaam geworden. De individualisering van de samenleving heeft geleid tot een opmars van wat de humanist en filosoof Kunneman het ‘dikke ik’ noemt. Het dikke ik staat niet alleen voor het egocentrisch benutten van een steeds groter wordende keuzevrijheid, maar ook voor het ontvluchten van de steeds groter wordende keuzedwang. Keuzevrijheid en de daarmee onlosmakelijk verbonden keuzedwang roept veel onzekerheid op. Neuropsychologen laten zien dat onzekerheid bij verreweg de meeste mensen een min of meer automatische vluchtreactie oproept. Zekerheid wordt niet gevonden in een dialogische interactie met een groter wordende wereld, maar in een verkleining van de wereld door zich terug te trekken op oude, vertrouwde standpunten. Het dikke ik is per definitie monologisch: verschillende ik-posities (om met de psycholoog Hermans te spreken) zijn niet in dialoog met elkaar maar interpreteren de werkelijkheid geïsoleerd van elkaar. Daarmee wordt de mens voor zichzelf een onbegrijpelijk vat vol tegenstrijdigheden. Een mentor met een ‘dik ik’ zal zich daarom snel onbegrepen voelen door en zelf weinig begrijpen van zijn of haar mentee. En hij zal vervolgens slechts kunnen vluchten (de relatie snel beëindigen) of aanvallen (de mentee tot aanpassing dwingen). Beide reacties zijn volkomen onproductief als het er om gaat kansarme Nederlanders te helpen hun weg te vinden naar een opleiding of een baan.

Een succesvol mentorproject vereist niet alleen wijze mentoren maar ook een wijze projectorganisatie. Mentoren hebben ondersteuning nodig om zich te kunnen blijven openen voor hun mentee. Mentees hebben ondersteuning nodig om in staat te zijn hun behoeften en wensen te articuleren. Mentor en mentee hebben ondersteuning nodig bij het vormgeven van hun relatie; daarom moet deze relatie regelmatig gemonitord worden. Onderzoek laat zien dat de (bij)scholing en ondersteuning van mentoren meestal heel slecht is geregeld, dat de relatie tussen mentor en mentee niet wordt gemonitord en dat de mentee de facto aan zijn of haar lot wordt overgelaten. Mentorprojecten worden niet gemanaged op een evidence based of evidence informed wijze. Ze worden geregeerd door geloof, hoop en liefde: geloof dat mentoring altijd heilzame gevolgen heeft voor de mentee, hoop dat een mentor als vanzelf een rolmodel voor de mentee zal worden, en liefde omdat ieder project bol staat van goede bedoelingen.

Het gevolg is dat mentorprojecten – vaak zonder dat iemand dat expliciet heeft gewild – een onderdeel worden van een ‘beschavingsoffensief’ waarmee de dominante maatschappelijke groepen hun positie trachten veilig te stellen. En dit niet door kansarme Nederlanders een werkelijke kans op maatschappelijke integratie te bieden, maar door hen in een positie te brengen waarin ze feitelijk geen kant uit kunnen. Vaak worden ze impliciet (maar in toenemende mate ook expliciet) door hun mentor uitgenodigd hun identiteit op te geven; zonder een eigen identiteit kan echter niemand leven (laat staan integreren). Weigeren ze hun identiteit op te geven, dan krijgen ze te horen dat ze zelf schuld hebben aan hun marginale maatschappelijke positie.  De conclusie is duidelijk: investeer in een goede mentoring.

Dr. Frans Meijers is directeur-eigenaar van Meijers Onderzoek & Advies en lector ‘Pedagogiek van de beroepsvorming’ aan de Haagse Hogeschool

Rijksuniversiteit Groningen